De ijzertijd in Brabant  
Vuur maken, deel 1 - theoretische achtergrond

Dit is het eerste deel van de vierdelige serie over vuur maken, gebaseerd op: "De archeologie van het vuur" (1997), R.P. Paardekooper. Zie ook:
Vuur maken, deel 2 - de praktijk
Vuur maken, deel 3 - materialen

Vuur maken, deel 4 - de vonk … en dan?

 
Het maken van stenen gereedschap en het beheersen van vuur zijn de belangrijkste ontdekkingen van de vroege mens geweest. In tegenstelling tot de aandacht voor het eerste gebruik van stenen gereedschap branden archeologen echter liever niet hun handen aan de vraag wanneer voor het eerst vuur is gebruikt. Het grootste probleem ligt daarin, dat vuur als gevolg van natuurlijke verschijnselen en vuur gemaakt door mensen moeilijk uit elkaar te houden zijn. Bovendien blijft van het bewijsmateriaal dat er een vuur is gemaakt, nadat het vuur eenmaal heeft gebrand, weinig meer over. Aan het vernietigde materiaal wordt meestal wel veel aandacht besteed, omdat het makkelijk herkenbaar is en soms door het gedeeltelijk verbranden beter bewaard blijft, zoals bijvoorbeeld verbrand bot en houtskool.
Vuur ligt aan de basis van vele technieken, waarvan de mens in de loop der tijd gebruik wist te maken. Vuur kunnen maken, gebruiken en bewaren is dus altijd al van bijzonder belang voor de menselijke ontwikkeling geweest. In de loop der tijden is het gebruik van vuur uitgebreid tot het bereiden van voedsel (koken, bakken, drogen, het winnen van zout et cetera), het geven van licht en warmte, het bewerken van materialen (hout, leer, klei, glas, metalen), het ter beschikking krijgen en vruchtbaar maken van grond voor landbouw, het verbranden van lijken en tenslotte als wapen.

In dit artikel wordt beschreven hoe het vuur zijn intreden doet aan de hand van archeologische vondsten. De praktische aspecten zijn onder andere ‘afgekeken’ van huidige culturen die deze technieken nog steeds gebruiken, experimentele archeologie en levende geschiedenis.
 
Voor het eerst vuur. Vuur maken in archeologische context
Het maken van vuur gaat al heel lang terug. De meeste experts houden
het erop dat het oudste beheersen, misschien ook zelf maken, van vuur rond 500.000 jaar geleden te vinden is. Het bewijs bestaat in deze gevallen uit verbrande stenen en botten. De eerste directe bewijzen, bijvoorbeeld haarden, vinden we pas bij de Neanderthalers (150.000-30.000 jaar geleden). Haarden komen zo regelmatig bij archeologische vindplaatsen voor, dat men er zeker van is dat deze mensen vuur konden maken. Het gebruiken en bewaren van vuur zónder het zelf te maken moet al in een veel eerder stadium hebben plaatsgevonden.
Een heel oud voorbeeld van het gebruik van markasiet (zwavelkies) om vuur
te maken, dateert van 10.000 jaar geleden en is gevonden bij het Belgische Chaleux. Hier werd in een grot een flinke markasietknol gevonden met een diepe groef erin die waarschijnlijk ontstaan is door veelvuldig gebruik bij het vuur maken. Een andere vondst is die van tonderzwam en markasietknollen
bij een vindplaats uit de Midden-Steentijd (8.000 tot 4.000 jaar vóór Christus). Met de neolithische vondsten van markasietknollen, zowel los als geschacht, begint een haast ononderbroken spoor in de tijd van voorwerpen die verwijzen naar het maken van vuur. In de vroege bronstijd (1800-1500 vóór Christus) zijn er in Noord-Nederland en Noord-Duitsland een aantal mannen begraven die naast hun omvangrijke wapenrusting ook een vuurstenen vuurslag en een stukje zwavelkies meegekregen hebben. Deze combinatie maakt het aannemelijk dat de vuursteen en zwavelkies samen gebruikt zijn om vuur te maken. In de ijzertijd (700-0 vóór Christus) kwam de stalen vuurslag in zwang. Wat betreft vuur maken door middel van wrijving zou de boormethode als eerste in aanmerking komen om door prehistorici geadopteerd te worden.
Tot nog toe zijn van deze methode geen eenduidige sporen uit Europese, prehistorische, context teruggevonden. Er is een houten fragment uit Vinelz in Zwitserland bekend dat voor "haard"plank doorgaat. Hier ontbreken in de geschroeide kuiltjes echter de typerende V-vormige inkepingen, het zou hier dus ook kunnen gaan om een drilboor.
Maar de archeologie ziet niet alles. Van bijvoorbeeld een vuurboog blijft meestal niets over. Deze methode, die later ook uitgebreider beschreven wordt, komt dan ook niet uit de archeologische literatuur. Aangezien deze techniek bij vele huidige culturen bekend is, en bovendien vrij simpel is, mag verondersteld worden dat hij ook bij een aantal prehistorische volken bekend moet zijn geweest. Datzelfde geldt voor de experimenten die op diverse plaatsen beschreven zijn. Dit blijven echter slechts indirecte bewijzen.
Ze geven slechts aan dat er de technische mogelijkheid bestaat.
 
 
Brandstof – zuurstof - warmte
Om vuur te krijgen, en te houden, zijn er drie dingen nodig; brandstof, zuurstof, en warmte. Dit lijkt vrij logisch, en iedereen heeft ook vast wel eens de ‘branddriehoek’ gezien waarin die drie elementen staan. Haal je er een weg dat brandt het vuur slecht, en zal het op den duur uitgaan. Soms kan gebrek aan het ene element gecompenseerd worden met een andere. Dit doe je bijvoor-beeld bij het aanmaken van het vuur: als er nog weinig warmte is kan er door extra zuurstof (blazen) gezorgd worden dat bijvoorbeeld een gloeiend stukje berkenbast ook daadwerkelijk gaat branden. Als later het vuur eenmaal brandt, maar het rookt erg, helpt het ook wel eens als je blaast. Er is dan vaak tekort aan zuurstof, bijvoorbeeld doordat je het hout te dicht op elkaar gestapeld hebt. Een andere oorzaak van rook kan een teveel aan vochtig hout zijn. In dit geval is het probleem ook warmte. Voordat het hout kan gaan branden moet het meeste water eerst verdampen. Water verdampt bij 100 graden en hout ontbrandt pas bij 390 graden. Als je dus teveel nat hout op een vuur legt, koelt het vuur te veel af waardoor het onder de ontbrandingstemperatuur kan komen. Wat het meest fout gaat is de zuurstoftoevoer, vaak worden openingen in het vuur die hiervoor nodig zijn, dicht gelegd met grote stukken hout. Er kan geen lucht meer bij, en vervolgens gaat het vuur roken. Als je blaast gaat het wel weer beter, maar meteen nadat je gestopt bent met blazen rookt het weer heel erg. Wat ook van invloed is op je vuur, is het soort hout dat je gebruikt. Het grootste verschil wordt veroorzaakt door de hardheid van het hout. Harder hout brand langzamer en daardoor langer, bijvoorbeeld eikenhout. Als je snel vuur wilt is zacht hout, bijvoorbeeld naald- of berkenhout, praktisch.
 
 
"Buckskin" Russ Sidebottom blaast een vonk aan
(M.A. Zielinska naar
Scurlock 1983)
Stuk van een vuursteenknol
Een houten speer in een open vuur harden (klik voor een uitvergroting)
Lampen uit de Dordogne, Steentijd (klik voor een uitvergroting)
Slachten van wild en het bereiden van het vlees op een vuur
Zout winnen aan de kust in de late ijzertijd (klik voor een uitvergroting)
Brons smelten en gieten (klik voor een uitvergroting)
Markasietknolletje (klik voor een uitvergroting)